← Seizoen 1913/1914

Feyenoord – Fortuna

NVB Westelijke Afdeling 3e Klasse A · 08-02-1914

Fortuna Vlaardingen werd die dag vergezeld door een supporter, die daarvan een verslag deed in het cluborgaan. De tocht beviel hem slecht.

'In het begin had ik het ongeluk om te staan in de nabijheid van een wezen, wiens neus uitwees, dat hij meer gebruikte als passelijk is. Veel luisterde ik niet naar dat neerval, maar eenige gezegden ving ik toch op. Zie zoo, zeide hij, nauw zal je zien hoe die dubbele haringkoppen in de pan gehakt worden, want winnen hier tegen Feijenoord, dat bestaat niet. Je begrijpt, dat onze jongens die haringkoppen toch liever dood zouden trappen, als zich te laten overrompelen. Op hetzelfde oogenblik dat hij dit zeide, kwam een der Feijenoord-spelers, die ze de schoolmeester noemen, vóór ons en was aan ’t worstelen om den bal machtig te worden. Mijn lieve vriend schreeuwde: "toe meester, schopt hem de pooten maar kapot." Zoo passeerden nog verscheidene gezegden de linie. (Wat staat het peil van ’t menschdom nog laag.) Op een gegeven oogenblik maakt Feijenoord de eerste goal. Zie je wel, wat heb ik je gezegd, zei mijn vriend, daar is tegen onze jongens geen spelen tegen. Ik had genoeg van dat aangename gezelschap en plaatste mij tusschen de menschen. Het eerste wat ik daar hoorde, was: Bliksem, wat laat die kromme Piet dien bal lullig afnemen. Een tweede zeide: Kijk dien rooien d...der (bedoeld werd een Fortuna-speler) eens, ik verzeker je, die is niet mis. Nou, zei een derde, die haringkoppen zijn niet voor de poes, maar zij spelen toch mooi. Ik voor mij liet niet blijken dat ik bij Fortuna hoorde en roemde het spel van den aanvoerder van Feijenoord, dat ook werkelijk zeer te roemen was. Een vijf minuten voor de rust had Fortuna de gelegenheid den stand gelijk te maken. De een voor den ander wist te zeggen, hoe het kwam. Het is die lange zijn schuld, hoorde ik. Je liegt het, die kon er niets aan doen, de back had hem kunnen houwen. ’t Is niet, zei een derde, die keeper had de bal best kunnen hebben, maar hij liep uit doel (vergeten werd, dat hij er uit gelokt was).

Na de rust speelde Fortuna tegen wind. Niettegenstaande dat, waren zij in de meerderheid. Een kwartier voor het einde werd het winnende punt gemaakt. Men kan nagaan welke scheldwoorden er toen vielen. Doch er waren er ook die zeiden: onze jongens loopen zich dood en die haringkoppen worden niet moe. Feijenoord doet nog een laatste wanhopige poging en de scheidsrechter fluit einde. Een verlichting voor velen. De spelers van Fortuna die van ’t veld kwamen, werden door de supporters hartelijk geluk gewenscht en verscheidene dansten en sprongen dat het een lust was om te zien. De geheele stoet ging naar ’t verkleedlokaal (wat daar een herberg is). Dit verkleedlokaal werd door een troep afgunstigen gebarricadeerd, en, terwijl de Fortuna-spelers zich aan ’t verkleeden waren, kon men niet nalaten, van buiten de ramen open te schuiven en sinaasappelschillen en vuil naar binnen te gooien. Na een goed half uur in de herberg vertoefd te hebben, waren wij voor den aftocht reisvaardig. Aldra bleek, dat deze aftocht nog niet mee zou vallen. Nauwelijks waren wij buiten gekomen, of een zee van scheldwoorden was ons deel, doch zulks hinderde niet. Maar het hinderde meer, toen men met vuil en steenen ging gooien. Zooveel als in mijn vermogen was, maande ik allen aan niets terug te doen, wat een goede uitwerking had. Het mocht niet plezierig zijn, doch het was de beste weg. Men had geen eer van ’t werk.'

Bron: Feyenoord 1908–1921, pp. 166–167, voetnoot 119: ‘Supporter’, in Ons Orgaan (Fortuna).