← Terug naar het archief

De Put

De Put was het eerste voetbalterrein van Wilhelmina. Het terrein lag aan de westzijde van de Hilledijk, nabij de Paul Krugerstraat. Het was een eenvoudig, grotendeels onbebouwd stuk grond waarop de leden zelf de nodige voorzieningen moesten aanbrengen om er te kunnen voetballen.

Ligging en naamgeving

Kort na de oprichting besloten de leden van Wilhelmina hun wedstrijden niet langer op het pleintje voor de Wilhelminakerk in de Oranjeboomstraat te spelen. De vereniging verhuisde naar een terrein onderaan de Hilledijk dat bekendstond als De Put.

De precieze ligging van het oorspronkelijke speelveld is moeilijk vast te stellen. In latere jaren kregen meerdere locaties in deze omgeving dezelfde bijnaam, waardoor historische beschrijvingen soms door elkaar zijn gaan lopen. Volgens oud-bestuurslid Kees van Baaren lag het terrein aan de onbebouwde zijde van de Paul Krugerstraat.

Van Baaren verklaarde de naam De Put uit de toestand van de bodem. Het terrein bestond uit opgespoten grond die aanvankelijk droog was geworden, maar vervolgens opnieuw begon te zakken. Hierdoor kwam het lager te liggen dan de omliggende grond en ontstond de benaming De Put.

Een historische plattegrond uit 1903 toont de locatie aan de westzijde van de Hilledijk, in de omgeving van de Paul Krugerstraat en de latere Martinus Steijnstraat.

Café In de Put

Tegenover het speelterrein, aan de Hilledijk 66, bevond zich café In de Put. De uitbater was Willem Coenen (1867–1926), die aan de buitenzijde van de Hilledijk, langs het spoorwegemplacement, woonde.

Het café was een herkenningspunt in de omgeving van het terrein. Het gebouw werd in 1938 gesloopt. Willem Coenen jr. (1894–1927), een zoon van de caféhouder, zou vanaf 1912 voor Feijenoord voetballen.

De naam van het café en die van het speelterrein hielden verband met dezelfde plaatselijke benaming, maar het café was niet het kleedlokaal van Wilhelmina.

Herinnering van Van Baaren

Toen Wilhelmina het terrein in gebruik nam, waren er nog geen doelpalen aanwezig. Bestuurslid Kees van Baaren vroeg zijn vader, die een kleine timmerwerkplaats aan de Stampioenstraat 40 bezat, om hulp bij het vervaardigen van de doelen.

Het benodigde hout bleek moeilijk verkrijgbaar. Vooral een dwarslat van ruim zeven meter leverde problemen op. Van Baarens vader nam daarom contact op met de houthandel van Abraham van Stolk. Vervolgens reisde Kees van Baaren met een knecht van zijn vader naar Overschie, waar zij het hout ophaalden en met een handkar naar Rotterdam-Zuid vervoerden.

Bij aankomst werden zij enthousiast ontvangen door de overige leden. Van Baarens vader maakte de palen op maat en voorzag ze van ijzeren punten waarmee de onderdelen aan elkaar en in de grond konden worden bevestigd. Het ijzerwerk werd geleverd door de fabriek Fijenoord.

Volgens de herinneringen van Van Baaren kostte de vervaardiging van de doelen de vereniging niets. De jonge club beschikte nauwelijks over financiële middelen en was voor dergelijke voorzieningen afhankelijk van de hulp van leden en bekenden.

De herinnering van Van Baaren moet wel in twijfel worden genomen aangezien volgens de gegevens van de Gemeente Rotterdam de vader van Kees van Baaren al op 27 maart 1908 was overleden. Hij had dus nooit de doelpalen van Wilhelmina op maat kunnen maken. Vermoedelijk komt deze verwarring omdat Van Baaren in 1906 voorzitter was van FFC (Feyenoordsche Football Club). Het is wel mogelijk dat na het uit elkaar vallen van deze voetbalclub, de doelpalen meegegaan zijn naar de nieuwe vereniging Wilhelmina.

Onderhoud van het speelveld

Ook nadat de doelen waren vervaardigd, moesten de leden het terrein zelf speelklaar maken. Voor iedere wedstrijd werden de palen naar het veld gebracht en opgesteld. Daarnaast moesten de lijnen worden aangebracht en touwen worden gespannen.

Kees Rietveld herinnerde zich later dat de spelers op zondagochtend vroeg begonnen met deze werkzaamheden. Het trekken van de veldlijnen gebeurde aanvankelijk met een kwast die in een emmer kalk werd gedoopt. Ook werd gebruikgemaakt van een met kalk doordrenkt touw, waarmee de lijnen op de grond konden worden afgetekend. Later kwam een kalkwagentje in gebruik.

De inrichting was daarmee verre van permanent. Het veld moest telkens opnieuw voor het voetbal geschikt worden gemaakt.

Herinneringen aan De Put

Joan F. Dettingmeijer jr. (1896–1955), zoon van een politieman die aan de Hilledijk woonde, beschreef in juli 1938 zijn herinneringen aan de omgeving van De Put.

Hij herinnerde zich dat op de plaats waar later de fabriek en werkplaats van Van Kooten stonden, vroeger een oefenveld lag. Daar speelden onder anderen Arie Prause, Leniger, Laviere en Van Dijk met een bal die volgens zijn herinnering uit katoendraad was vervaardigd.

Deze beschrijving heeft betrekking op de vroegste voetbalactiviteiten in de omgeving van de Hilledijk. Omdat verschillende terreinen in de buurt later met De Put werden aangeduid, kan niet zonder meer worden vastgesteld dat Dettingmeijer exact hetzelfde veld beschreef als Van Baaren.

De herinneringen laten wel zien hoe eenvoudig de omstandigheden waren waaronder de eerste Rotterdamse voetbalverenigingen op Zuid hun wedstrijden en oefeningen organiseerden.

Bronnen

  1. Feyenoord 1908–1921, hoofdstuk De oertijd, pp. 68–72, met een historische situatietekening uit 1903.

  2. L.A. Heesakker, Gedenkboek 1908–1933, p. 23.

  3. Phida Wolff, Geen woorden maar daden (1971), pp. 23–25.

  4. J.F. Dettingmeijer jr., herinneringen in De Feyenoorder, juli 1938, 22e jaargang, nr. 7, p. 161.

  5. Gemeentearchief Rotterdam, historische situatietekening van de Hilledijk uit 1903.